Het motorrijden is uiteraard ontstaan met de uitvinding van de
motorfiets.
Toch waren de eerste berijders niet direct "motorrijders".
Meestal waren het de bouwers en uitvinders die hun eigen voertuigen
eerst moesten demonstreren om producenten en publiek te overtuigen
van
het nut van de machine.
De allereerste motorfietsen reden nog op stoom
en werden
ingezet in demonstraties, zoals wedstrijden tegen paarden of
als circusact.
De bediening was ook veel te ingewikkeld voor leken.
Met de komst van de Hildebrand & Wolfmüller in 1894
werden voor het eerste motorfietsen in serie geproduceerd en
kon men
dus gaan spreken van "motorrijders".
Dit waren meestal excentrieke
rijkelui die de motorfiets
als "aardigheidje" wilden proberen.
Er waren
immers ook al automobielen
te koop.
Het nieuwe was er echter snel af en de belabberde
betrouwbaarheid
van de machines droeg niet echt bij aan de doorbraak
van de motorfiets.
Vanaf ca. 1900 ging men het motorrijden vanuit een andere invalshoek
zien:
Men ging simpelweg het fietsen verlichten door
kleine motoren op
rijwielen te bouwen.
Een goed voorbeeld daarvan zijn de motorfietsen
van de firma Werner.
In deze periode wisten ook de fabrikanten van gemotoriseerde
voertuigen
niet altijd welke kant het op zou gaan met de techniek:
gemotoriseerde
twee- drie- en vierwielers werden soms door
dezelfde bedrijven
geproduceerd.
Goede voorbeelden hiervaan zijn de quadricycles en de
tricycles.
Toch duurde het slechts enkele jaren tot vele fabrikanten
de
definitieve keuze voor de motorfiets hadden gemaakt.
En ook de klanten
waren snel overtuigd:
de motorfiets was licht, wendbaar, klein en paste
in elk schuurtje
(huizen met garage bestonden uiteraard nog niet).
Het
gebruik van de motorfiets door overheidsdiensten
(leger en politie)
droeg hier zeker aan bij.
Zowel auto's als motorfietsen werden in de beginjaren als "helse"
machines beschouwd.
In 1904 werd bijvoorbeeld de Nederlandsche
Motorwielrijders Vereniging
(later de KNMV)
opgericht, maar in hetzelfde jaar werd een
intiatief genomen om te
komen tot een anti-autobond,
die zich tegen alle vormen van
gemechaniseerd vervoer richtte.
De Nieuwe Vlaardingse Courant riep haar
lezers in 1906 op maatregelen
tegen "de rijke automobilisten" te nemen,
en in Prinsenhage (bij Breda) werd opgeroepen glasscherven op de wegen
te strooien.
Er verschenen in Engeland artikelen die de veroorzaakte
rook en stofwolken van auto's en motorfietsen als
oorzaak van de
"zonloze zomers" aanwezen.
Een ander, niet onbelangrijk aspect van de motorrijderscultuur
is
het gevoelsmatig motorrijder "zijn", soms zelfs als motorrijder
geaccepteerd worden.
Er is misschien geen andere wereld waar men zo
veel
denigrerende of cynisch bedoelde uitdrukkingen voor leden uit
dezelfde groep heeft dan de wereld van de motorrijders.
Ook voor
vrijwel alle merken en veel typen van motorfietsen
zijn spottende
benamingen (kijk maar eens in het motorrijderswoordenboek),
en elke motorrijder wordt, zonder uitzondering,
bespot om zijn keuze
als hij zich tussen aanhangers van een ander merk begeeft.
Dit is
echter nooit serieus bedoeld en men kan ook gerust een
bepaalde
motorfiets tot grond toe afkraken en er vervolgens een kopen.
Zo kent men ook het begrip "echte motorrijder".
De simpelste
definitie van de echte motorrijder is misschien wel
"niet-automobilist".
De echte motorrijder rijdt motor, punt. Altijd en
alleen maar, zomer en winter.
In het algemeen eindigt het "echte"
motorleven met een huwelijk
(vrouw, boodschappen, maxi-cosy).
Deze
definitie van de echte motorrijder is dus niet lang te handhaven.
Een
betere is misschien "niet-onechte motorrijder".
Dit is iemand die
regelmatig motor rijdt zonder zich te gedragen als een cowboy.
Deze
laatste persoon valt eerder in de categorie chopperyup,
het prototype
van de advocaat
die zich een weekend niet scheert,
een houthakkershemd en een oude
spijkerbroek aantrekt.
Als tegenstelling is er ook de voormalig
motorrijder die bijvoorbeeld
door een lichamelijke handicap niet meer
motor kan rijden.
Hij of zij blijft motorrijder.
Zo kan het voorkomen
dat iemand met een auto en caravan een
motortreffen bezoekt en daar ook
welkom is,
omdat iedereen weet dat hij lang geleden motorrijder was.
Desondanks zal iemand die zichzelf als "echte motorrijder"
beschouwt
best een glaasje drinken met een chopperyup.
Men heeft immers een
gezamenlijke hobby en daarmee ook altijd een gespreksonderwerp.
Ook
motoragenten kunnen hierover meepraten:
in veel gevallen worden met een
bekeurde motorrijder de "zaken" afgewerkt
en wordt er vervolgens een
praatje over motorfietsen of motorrijden gemaakt.
Het aantal doorrijders (mensen
die ook in de winter motorrijden)
neemt overigens (waarschijnlijk
vanwege de files) toe.
Vanwege de kou hoeft men het ook niet te laten;
motorkleding is sterk verbeterd en veel toermotoren zijn voorzien van
goede stroomlijnkuipen en handvatverwarming.
Toch zijn er nog wel
problemen:
gladheid (meestal alleen in woonwijken, waar niet gestrooid
wordt),
mist en beslaande helmvizieren.